fabrieksspoor los

 

Welkom

Inhoud

Inleiding

Andere tractie

Spoorwijdte

Producenten

Import & handel

Eigenaars

Materieel

Links

Contact

Nieuw

Zoeken

 

 

Stoomtractie smalspoor

Stoomtractie normaalspoor

Motortractie smalspoor

Motortractie normaalspoor

 

Boeken

Aanvullingen

Tijdschriften

Raadsels

Loctypes

 

Nering Bögel/Moës semi-dieselloc

 

NeringBogel Klein.jpg

Deze foto uit een motorencatalogus van de firma Nering Bögel te Deventer [1] kan veel vragen oproepen, zoals:

Hebben deze locs in Nederland gereden ?

Wat is een Moës semi-dieselmotor ?

Waarom lijkt de loc op een stoomloc ?

Bouwde Nering Bögel locomotieven ?

 

Deze vragen zijn in en voor 1999 al eens aan de orde geweest in verschillende nummers van het tijdschrift  Smalspoor en haar voorganger NSS Nieuws. Ondertussen is er via internet (dat indertijd nog niet bestond) nieuwe informatie over Nering Bögel. Bovendien heeft het Decauville Spoorweg Museum DSM nu twee Moës locs die sprekend lijken op de loc op de foto (maar die niet in Nederland actief zijn geweest). Hiermee is de opbouw en werking van dit bijzondere loctype goed te illustreren.

 

Maar eerst de vraag:  Hebben deze locs in Nederland gereden ?

MoesSluisbouwIJmuidenKlein.jpg

Het bevestigende antwoord levert (de uitsnede uit) deze foto uit de collectie van dhr. Joop Loots. De foto is afkomstig uit het gemeentearchief van Velsen en is genomen bij de bouw van de Noordersluis in IJmuiden en is genomen op 15 juli 1927, zoals er ook met inkt is op geschreven. De loc is kennelijk van een aannemer. De Noordersluis kwam in 1929 gereed.

De loc lijkt sterk op die uit de bovenste foto. Een groot verschil is echter dat die loc een binnenliggend frame heeft, terwijl de loc op de bovenste foto een buitenliggend frame vertoont.

Klik hier voor een webpagina waar soortgelijke locs op 600 resp. 700 mm spoor te zien zijn.

Dit wijst erop dat de loc in de catalogus een spoorwijdte van 600 en die in IJmuiden van 700 mm of meer had. Het is niet te zien of Moës dan wel Nering Bögel deze loc gebouwd heeft. Er is geen leverlijst van Moës bekend.

Dan nu de vraag: wat is een semi-dieselmotor?

In een dieselmotor is de maximale druk hoger dan in een benzinemotor en wel zo hoog dat het gas spontaan (zonder vonkje van een bougie) tot ontbranding komt. Dieselmotoren hadden aanvankelijk een aparte compressor om een voldoend hoge druk te bereiken. Men kon echter ook genoegen nemen met de druk die door de compressie in de zuiger bereikt werd, als de temperatuur maar hoog genoeg was. Hiertoe werd de cilinderkop voor het starten met een externe brander voorverwarmd. In het Nederlands spreekt men doorgaans over een gloeikopmotor; de firma Moës in het Belgische Waremme gebruikte het woord semi-diesel. Wanneer zo’n motor eenmaal loopt, blijft de cilinderkop vanzelf voldoende warm en is de externe brander niet meer nodig. Omdat het starten van een gloeikopmotor geruime tijd in beslag neemt, zet men de motor bij bedrijfspauzes niet uit. Een typische toepassing was de scheepvaart, die doorgaans weinig bedrijfspauzes kent. Een andere bekende toepassing was de Lanz Bulldog landbouwtractor, met een liggende ééncilinder gloeikopmotor. Ongeveer 30 Lanz Bulldogs zijn in de jaren twintig van de 20ste eeuw als loc gebouwd, door ze van spoorwielen te voorzien; zie hier.

 

Voor zover bekend zijn gloeikopmotoren verder niet in locs toegepast, behalve dan door de firma Moës Frères in het type CL. De foto rechts betreft één van de twee deksels van de versnellingsbak van zo’n loc. Moës bestaat nog, niet meer als bouwer van dieselmotoren, maar vooral al vertegenwoordiger van Hatz dieselmotoren; klik hier.

In vergelijking tot de omringende landen is er opvallend weinig gepubliceerd over zowel locomotieffabrikanten als industriespoor in België. Wel geeft het Stoomcentrum Maldegem interessante informatie over “Dolly”, een dienstvaardige (!) Moës van het hier besproken type CL voor 600 mm spoorwijdte. Verder moeten we onze toevlucht nemen tot uitstekende Luxemburgse en Nederlandse websites. Klik hier voor algemene informatie over Moës en hier voor het type CL. Uiteraard staan de twee 600 mm Moës semi-diesellocs van het Decauville Spoorweg Museum  DSM ook op de Nederlandse Museummaterieel Database (klikken geeft de pagina voor loc 21; klik hier voor loc 22).  Via de eigen website van het DSM komt men op dezelfde webpagina’s.

 

Alle kleurenfoto’s zijn gemaakt op 1 augustus 2009, tijdens een bezoek het Decauville Spoorweg Museum  DSM, waarbij Arnoud Bongaarts gewaardeerde uitleg gaf.

Moes deksel versnellingsbak.jpg

Harskamp 01 08 2009 028.jpg

Deze foto van de gedeeltelijk gedemonteerde loc 22 van het DSM in de Harskamp (Moës 746 uit 1925) toont de belangrijkste bijzonderheden van het ontwerp. Ten eerste is ongeveer in het midden (met het kartonnen kaartje Moës) de brander opgesteld. Die staat gericht op de gloeikop van de enige cilinder. Ten tweede staat die cilinder verticaal. Eéncilinder benzine- en dieselmotoren waren heel gewoon, maar de cilinder lag dan horizontaal.

 

Verder is op de cilinder -onder de brander- de smeerpers gemonteerd. De “dom”  rechts van de cilinder blijkt de brandstoftank te zijn. Achter de cilinder zijn nog de knalpijp en uitlaat te zien. De verbrandingsgassen gaan dus niet door de “schoorsteen” rechtsboven. De injectiepomp en de waterpomp zitten aan de andere kant en zijn op deze foto niet zichtbaar.

Harskamp 01 08 2009 031.jpg

De opbouw kan besproken worden met behulp van DSM loc 22 (fabrieksnummer 600, ook uit 1925). De beide locs zijn gebouwd voor een spoorwijdte van 600 en hebben daarom een buitenliggend frame.

De hoge motor moest overdekt worden en daarom is het machinistenhuis over de motor doorgetrokken. Het (op de foto gesloten) deurtje geeft toegang tot de motor. De “dom” direct  voor de cabine is ook op de vorige foto te zien. Het geopende luik daaronder geeft toegang tot het compartiment met de versnellingsbak. Die wordt aan beide zijden afgesloten met een deksel met daarop de naam van de fabrikant. Het op een stoomketel lijkende voorste deel is een watertank; de “schoorsteen” is de vulopening. Het water wordt naar de cilinder gepompt en dan weer naar de tank terug geleid. Er is geen radiateur; het grote oppervlak van de watertank moet voldoende koelen.

Dit beantwoordt de vraag: Waarom lijkt de loc op een stoomloc ? De watertank (in de vorm van een stoomketel) en de brandstoftank (in de vorm van een dom) zijn gewoon functioneel. De vulopening van de watertank moet bovenop zitten en open zijn om de druk niet te laten oplopen en stoom te laten ontsnappen. Moës heeft alleen wat kleine stijlelementen toegevoegd. Daarbij zal wel een rol gespeeld hebben dat men het uiterlijk van een stoomloc wilde nabootsen omdat dit zo vertrouwd was. Dat kwam wel meer voor.

Moës heeft wel andere loctypes gebouwd, maar niet met het uiterlijk van een stoomloc. Wat betreft de opbouw van het CL type nog het volgende:

Harskamp 01 08 2009 018.jpg

Ongebruikelijk is ook (naast de gloeikop en de verticale cilinder) dat de krukas in de lengterichting van de loc loopt. Daarop is aan de zijde van de machinist een vliegwiel geplaatst (dat is uiteraard normaliter met een plaat afgeschermd). Er is maar één vliegwiel, terwijl voor een ééncilindermotor twee vliegwielen gebruikelijk waren. Aan de andere kant eindigt de krukas met een haakse overbrenging in een cilindervormige versnellingsbak, afgesloten met ronde deksels. Vanaf hier lopen kettingen naar de wielassen.

De DSM 21 heeft een gesloten en de 22 een open, maar lager machinistenhuis.

De Moës CL constructie wijkt sterk af van wat gebruikelijk was, maar er is over nagedacht. Alleen lijkt het uitzicht vrij slecht. Verder is volgens de gegevens in de bovenste foto de trekkracht van 430 kg slechts 12% van het gewicht van 3½ ton, terwijl men doorgaans met 25 of 33%  rekent. Dit komt door het geringe motorvermogen van 12 pk.

 

Tenslotte nog de vraag:

Bouwde Nering Bögel zulke locomotieven zelf ?

 

De IJzergieterij en Machinefabriek v.h. J.F. Nering Bögel & Co in Deventer begon ooit als een hoogovenbedrijf voor ijzeroer. De onderneming telde in 1920 niet minder dan duizend werknemers. Kort na het 175 jarig bestaan volgde in 1932 het faillissement. Er zijn geen documenten in openbare archieven bewaard.

Uit verschillende scheepvaartfora blijkt dat Nering Bögel daadwerkelijk semi-dieselmotoren in licentie van Moës heeft gebouwd, maar slechts zeven in totaal. Dat zijn echter tweecilindermotoren. Het aantal ééncilindermotoren moet veel groter geweest zijn. Willy Gooiker restaureert bijvoorbeeld fabrieksnummer 260.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 16-04-1932. In de Moës locs werden ook 15 pk ééncilinders ingebouwd →

 

Nering Bögel produceerde volgens verschillende websites al vanaf 1829 stoommachines. Gezien de omvang en het machinepark van Nering Bögel lijkt het zonder meer mogelijk dat locomotieven zijn gebouwd, maar dat wil niet zeggen dat het ook gebeurd is. Als Nering Bögel daadwerkelijk locomotieven heeft gebouwd, dan was dat – net als de semi-dieselmotoren – in licentie van Moës.

 

Klik op de link voor een film van het starten van een Nering & Bögel semidiesel.

 

 

Opmerking:

Zie voor andere vooroorlogse Moës diesellocs (geen semi-diesels) in Nederland bij den Breejen van den Bout.

 

 

Met dank aan:

Arnoud Bongaarts en Willy Gooiker

 

 

Bronnen:

(voor zover niet in de tekst genoemd)

 

[1]

[2]     

B.S. Kapsenberg; Uit IJzer gegoten; Deventer, 1982.

Diverse websites.

 

 

 

 

 

{

Producenten

Terug/verder naar:

 

 

Nieuw                                    Home                                         Inhoud